De Meent | De Nederlandse commons assembly

foto: John Carnemolla Op donderdag 13 april 2017 was de tweede bijeenkomst over “de Meent” in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. De ondertitel van de bijeenkomst was: “Gezamenlijk ontwerpen en bouwen van het Nederlandse platform voor commoners”. Vanuit de P2P Foundation sloot ik ook aan om te kijken wat voor energie er is voor dit… Continue reading

foto: John Carnemolla

Op donderdag 13 april 2017 was de tweede bijeenkomst over “de Meent” in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. De ondertitel van de bijeenkomst was: “Gezamenlijk ontwerpen en bouwen van het Nederlandse platform voor commoners”. Vanuit de P2P Foundation sloot ik ook aan om te kijken wat voor energie er is voor dit belangrijke initiatief. Ik wist niet zo goed wat ik moest verwachten van deze bijeenkomst en toog vol goede moed langs de rellende voetbalsupporters richting het Pakhuis. Ik wil met dit blog vooral aangeven wat ik denk dat er zou kunnen gebeuren omdat de bijeenkomst zelf vooral erg onderzoekend was. Wellicht kunnen mijn inzichten helpen om het denkproces over De Meent verder te brengen.

Wat is een commoner?

Voordat we kunnen nadenken over een platform voor commoners is het belangrijk om te bepalen wat we verstaan onder commoners en de commons. Ik voelde tijdens de bijeenkomst wat terughoudenheid om een soort definitie te bepalen omdat mensen de neiging hebben een ieder zelf te laten bepalen wat ze onder commons en commoners verstaan. Dat is een bewonderenswaardig streven, maar als we aan een platform voor commoners gaan werken is het wel belangrijk om het onderwerp te definiëren. Ik wil graag verwijzen naar een omschrijving gebaseerd op het gedachtegoed van Michel Bauwens en omschreven door Rogier de Langhe:

“…commons zijn geen goederen, het is een beheersvorm. Het gaat niet om gemeenschappelijke goederen maar om het gemeenschappelijk beheer ervan. Meer commons betekent dus niet meer staat in plaats van meer markt, maar iets anders, tussen markt en staat in; een “derde weg” tussen privatiseren en nationaliseren. Het speciale aan een commons is dat die niet van buitenaf wordt beheerd, maar door haar gebruikers zelf. Een commons is dus niet zomaar een gemeenschappelijke encyclopedie, een windmolen of een boerderij, maar eentje waarvan de gebruikers samen bepalen hoe die tot stand komt, hoe die eruit ziet en waar die voor dient.

Een commons wordt gecreëerd zodra je samen met enkele anderen een stukje van de wereld afbakent en daarvoor zelf nieuwe spelregels afspreekt. Dat stukje kan bijvoorbeeld een boerderij zijn, of een natuurgebied of een visvijver. Maar evengoed dus een digitale encyclopedie zoals Wikipedia. De spelregels leggen de rechten en de plichten van de gebruikers van de commons vast. Rechten zoals wie toegang krijgt, wie wanneer en hoeveel mag oogsten en wie welke rollen mag opnemen; plichten zoals het doen van herstellingen en het sanctioneren van inbreuken tegen de spelregels. Een commons is dus als het ware een soort eilandje van afspraken die je samen maakt en waar je elkaar aan houdt.”

Commonificeren in plaats van commodificeren

Een commoner zou in lijn met deze omschrijving iemand zijn die goederen uit de publieke of private beheerssfeer haalt om het door de gebruikers zelf te laten beheren. Commonificeren als een tegenhanger van commodificeren. Een voorbeeld van commonificeren is een pilot in Den Haag waar de keuzes voor het ontwerp en het beheer van straten bij de bewoners wordt neergelegd. Mensen die afstand doen van hun parkeervergunning om gebruik te maken van deelauto’s commonificeren een parkeerplek die door de bewoners van de straat opnieuw kan worden ontworpen. Dit kunnen de bewoners natuurlijk niet alleen, het stadsbestuur speelt hier natuurlijk een belangrijke rol in.

De partnerstaat

“De overheid moet het mogelijk maken voor burgers om samen te werken en waarde te creëren. De partnerstaat noem ik dat.”  (Michel Bauwens)

Om commonificatie mogelijk te maken moeten burgers en overheid met elkaar samenwerken. Dit is waarom de rol van de staat opnieuw moet worden uitgevonden. Michel Bauwens noemt een staat die commonificatie mogelijk maakt een “partnerstaat”. Deze nieuwe rol vraagt van de overheid om een erkenning van de waarde die commoners kunnen creëren en om vertrouwen in deze commoners dat ze de taken die bij het beheren van commons horen goed zullen uitvoeren. Als we terugkijken zien we dat wat in de politiek “bottom-up” is gaan heten veel raakvlakken heeft met commonificeren. Een wezenlijk verschil met de rol van een echte partnerstaat is dat er wel degelijk een actieve rol van de overheid wordt gevraagd. Bij het faciliteren van bottom-up initiatieven trekt de staat zich vaak te veel terug.

Een platform

Dus wat zou een platform voor commoners moeten doen om commonificeren mogelijk te maken?

  1. De belangrijkste rol van De Meent zou het leggen van de verbinding tussen commoners en de partnerstaat kunnen zijn. Samenwerking is essentieel voor het opbouwen van een nieuw soort samenleving waar burgers en staat de handen ineenslaan en werken aan de kwaliteit van leven voor de bewoners van deze aarde in plaats van de eindeloze zoektocht naar winsten, rente en economische groei.
  2. Daarnaast hebben overheden en potentiële commoners handvatten nodig om deze samenwerking vorm te geven. Succesvolle projecten kunnen leerzaam zijn voor beide partijen. Denk hierbij aan LabGov in Bologna. Het platform zou dus voorbeelden kunnen aandragen van succesvolle regelgeving en succesvolle samenwerkingen tussen commoners en partnerstaat.
  3. Het faciliteren van de dialoog tussen de verschillende commoners en representanten van de partnerstaat zou een derde pijler van het platform kunnen zijn. Leden kunnen op deze manier samen ideeën ontwikkelen en verder brengen. Dit zou kunnen worden vormgegeven als een forum.

Bijeenkomsten

De community die op deze manier online wordt gecreëerd heeft wellicht behoefte om ook offline met elkaar in contact te komen. Een start voor deze community is er eigenlijk al als ik de opkomst zag bij het Pakhuis.

Conclusie

Het is fantastisch dat dit proces is ingezet. Alle mensen die aanwezig waren zitten boordevol energie om te werken aan nieuwe vormen van samenleven in een op commons gebaseerde samenleving. Deze energie kunnen we met een platform goed samenbrengen om mooie initiatieven te laten opbloeien. Mijn gevoel is wel dat een goede definitie van commoners en commons en een afgebakende mission statement kan helpen om iedereen bij elkaar te houden en een gezamenlijke richting aan te geven.

https://dezwijger.nl/programma/de-meent-werk-in-uitvoering

De Netwerkeconomie | Interview met Michel Bauwens

In deze aflevering van de Netwerkeconomie had Gene Vangampelaere een Skype gesprek met Michel Bauwens over zijn onderzoek naar peer-to-peer-netwerken en -praktijken. “De overheid moet het mogelijk maken voor burgers om samen te werken en waarde te creëren. De partnerstaat noem ik dat.”

In deze aflevering van de Netwerkeconomie had Gene Vangampelaere een Skype gesprek met Michel Bauwens over zijn onderzoek naar peer-to-peer-netwerken en -praktijken.

“De overheid moet het mogelijk maken voor burgers om samen te werken en waarde te creëren. De partnerstaat noem ik dat.”

Walter Dresscher over utopisch denken en de toekomst van de stad

Op 17 maart 2107 was Walter Dresscher te gast bij Amsterdam FM. In een interview van een uur werd gesproken over een nieuwe maakcultuur, een vervangend transport systeem, democratie en utopisch denken. P2P speelt een grote rol in het denken van Walter over al deze onderwerpen. De rol die de stad kan spelen in de… Continue reading

Op 17 maart 2107 was Walter Dresscher te gast bij Amsterdam FM. In een interview van een uur werd gesproken over een nieuwe maakcultuur, een vervangend transport systeem, democratie en utopisch denken. P2P speelt een grote rol in het denken van Walter over al deze onderwerpen. De rol die de stad kan spelen in de broodnodige transities is moeilijk te overschatten. Dit is dan ook de rode draad tijdens het interview. In deze SoundCloud playlist zijn alle verschillende onderwerpen terug te luisteren. Wij zijn heel benieuwd naar jullie reacties op deze thema’s en nodigen jullie uit te reageren onder dit bericht.

 

In memoriam: Jean Lievens

Intro Onze Nederlandstalige blog heeft even stilgestaan. Dit is vooral omdat onze voornaamste medewerker hieraan, Jean Lievens, in september overleden is. Wij hebben hem heel veel te danken, dus vooralsnog publiceren we hieronder een in memoriam in het Nederlands. Vanaf volgende week starten we de blog weer op, met als coördinator en redacteur Walter Dresscher…. Continue reading

Intro

Onze Nederlandstalige blog heeft even stilgestaan. Dit is vooral omdat onze voornaamste medewerker hieraan, Jean Lievens, in september overleden is. Wij hebben hem heel veel te danken, dus vooralsnog publiceren we hieronder een in memoriam in het Nederlands.

Vanaf volgende week starten we de blog weer op, met als coördinator en redacteur Walter Dresscher. We zoeken uiteraard nieuwe vrijwilligers om p2p en commons ontwikkelingen te kunnen volgen in de Nederlandstalige streken.

Jean Lievens

Jean Lievens, een dierbare vriend en één van de belangrijkste P2P Foundation-medewerkers in België, is overleden. Maar zijn geestelijke en intellectuele nalatenschap zal onder zijn familie, vrienden en medebouwers van een rechtvaardiger wereld voortleven.

 

Hij stierf op dinsdag, 6 september 2016, en zijn begrafenis vond op vrijdag de 16de plaats in Oostende, België. Jean had al ongeveer een jaar last van gezondheidsklachten, maar was zich tot zijn laatste tien dagen niet bewust van de ernst van zijn toestand.

Ik wil graag wat van mijn herinneringen aan ons gezamenlijke werk met u delen, evenals overpeinzingen over het voortzetten van zijn nalatenschap. Ik schrijf dit in mijn persoonlijke hoedanigheid en als medelid van het P2P Foundation-netwerk.

De herinneringen

Ik leerde Jean in het tweede jaar van onze studie aan de Vrije Universiteit Brussel (V.UB.) kennen, vermoedelijk in 1978. Jean was oorspronkelijk student aan de economische faculteit te Solvay, toen ik Politieke Wetenschappen volgde. We leerden elkaar in de studentenbeweging Aktief Linkse Studenten kennen, waren lid van de jongerenbeweging van de Vlaamse Socialistische Partij en geloofden allebei in Trotsky’s analyse van de permanente revolutie. Ik vertrok al een paar jaar na mijn studietijd, aangezien ik het leven ten tijde van de Thatcher/Reagan-contrarevolutie niet kon rijmen met de immer optimistische voorspellingen van de politieke stroming waartoe wij behoorden. Jean vertrok veel later (ik meen rond zijn vijfendertigste), na voltijds organisator en hoofdredacteur van het radicale tijdschrift Vonk te zijn geweest. Wat aan Jean opviel was zijn loyaliteit naar zijn vrienden toe en zijn betrouwbaarheid als collega en vriend. Jean moest ook de nodige persoonlijke problemen het hoofd bieden. Hij kwam uit de kast als homo en zijn ouders accepteerden hem om die reden niet. Pas tientallen jaren later kwam hun aanvaarding, hij kon het in zijn vaders laatste jaren met hem bijleggen en hij bleef aan diens zij in zijn laatste jaren.

Toen Jean de radicale beweging, waartoe hij vele jaren behoorde en zijn energie aan wijdde, de rug toekeerde, wist hij eerst  niet helemaal wat hij met zijn ‘nieuwe’ leven aan moest. Zonder spaargeld, vanwege een heel laag loon, en zonder de vooruitzichten op een volwaardig pensioen, moest hij zijn leven een andere wending geven. Hij had het geluk een goedkoop appartement in Brussel te vinden, dat hij kocht en tot een pronkstuk van prachtige, zij het excentrieke, smaak omtoverde. Daarnaast ging hij als copywriter voor bedrijfsbladen werken. Met het oog op deze achtergrond waren zijn geschriften altijd uitmuntend en informatief over maatschappelijke trends. We zagen elkaar in het midden van de jaren negentig vluchtig terug, na elkaar vele jaren lang uit het oog te zijn verloren. Deze carrière beviel Jean prima tot 2008, toen de crisis van het kapitalisme, vanwege bezuinigingen bij bedrijven, voor een afname van zijn klantenbestand zorgde. Rond deze tijd besloot Jean in de binnenstad van Brussel te gaan werken, in het departement dat de woningvoorraad beheert. Hoewel hij van de sociale missie hield en zijn collega’s respecteerde, had Jean een grondige hekel aan de bureaucratische procedures, en dit maakte hem een aantal jaren lang neerslachtig.

Toen ontmoetten we elkaar opnieuw en kon ik mijn enthousiasme over mijn eigen werk voor de peer-to-peer- en commonsbeweging in wording met hem delen. Net als Jean had ik het dominante maatschappij-model jarenlang willens-nillens moeten aanvaarden  maar bleef ik met de anti-sociale en anti-ecologische aard van het huidige kapitalisme worstelen. Na het ondergaan van een eigen burnout en hevige crisis in 1996, besloot ik het contact met het maatschappelijke engagement voor sociale veranderingen uit mijn jeugd te hernieuwen. Toen ik onderzocht welke aanpak voor onze tijd geschikt was, besloot ik dat P2P-dynamiek een aanzet tot zelfbestuur en veranderingen zou geven aan sociale bewegingen. Het kostte Jean bijna drie jaar om de informatie te lezen en mijn analyse te begrijpen, maar toen hij zijn eigen studie voltooide, gaf dat hem een nieuwe positieve kijk op het leven. Naast zijn voltijdbaan nam hij in de avonden vol enthousiasme deel aan het P2P-project. Hij legde een enorme energie aan de dag.

Dankzij  hem, als co-auteur, kon ik het Vlaamse boek, De Wereld Redden maken, en de Franse vertaling en tegenhanger ervan, Sauver Le Monde, die allebei een onmiskenbare impact hadden. Sinds ongeveer 2005 verbleef ik gedurende mijn lezingen toernees regelmatig als gast in zijn ongelofelijke appartement aan de Stalingradlaan in Brussel.

We spraken en dachten tot in de kleine uurtjes van de nacht en Jean werd zelf ook een veelgevraagd spreker in Vlaanderen, terwijl hij bovendien verschillende Nederlandstalige artikelen schreef voor de betere opiniebladen zoals De Wereld Morgen.

Het kost me moeite om uit te drukken wat voor een goede vriend hij was, hoe ondersteunend, en hoe verwend ik me met hem voelde. Jean kocht veel van de boeken die ik wilde lezen en was een ware chef van de gezonde keuken. Mijn gezinsleden hadden ook nu en dan gelegenheid om in zijn huis te verblijven. Mijn vrouw werd een groot bewonderaarster van Jean; ze zag hem als een heilige. Jean kwam op zijn beurt bij ons in Thailand logeren en koesterde plannen om er in februari 2017 terug te keren.

Jean begon ongeveer een jaar voor zijn overlijden gezondheidsklachten te krijgen, die zich eerst in de vorm van een knieaandoening manifesteerden, maar later als problemen met de spijsvertering, die voorboden waren van de ziekte die hem zou vellen. Ondanks dat hield hij nog altijd vele lezingen en maakte hij veel plannen. Een daarvan was het oprichten van de P2P Foundation België als afzonderlijke juridische entiteit; een ander was samen met mij een Engels conversatieboek schrijven (de kladversie is af en wacht totdat de laatste hand eraan wordt gelegd). Hij vroeg zich af hoe hij zijn leven als activist opnieuw tot zijn hoofddoel kon maken, maar had daar nog geen bevredigende oplossing voor gevonden. Hij leidde bovendien een gezellig en actief familieleven met zijn ouders, zusters, nichten en bovenal met zijn peetzoon Sam Kestens.

Jean laat een grote leegte achter in onze harten, aangezien onze dierbare herinneringen als compensatie tekortschieten voor de warme steun die hij ons gaf, maar we eren zijn engagement en nalatenschap met veel vuur. Frank Theys en ik leggen de laatste hand aan een financieringsactie voor een documentaire die aan zijn nagedachtenis zal worden gewijd. Bij de recente Prix Ars Electronica-uitreikingsceremonie droeg Stacco Troncoso aan Jean de Gouden Nica-prijs op, die wij als het P2P Foundation-collectief ontvingen. We zullen het Engelstalige boek voltooien waaraan we met hem zijn begonnen, en ik overweeg serieus een nieuw commons-georiënteerd beleidsinstituut naar hem te vernoemen.

Jean heeft ons veel te vroeg en veel te snel verlaten, maar zijn nalatenschap en al wat hij ons gaf zullen nog vele jaren in onze harten en ons eigen handelen voortleven.

Michel Bauwens, namens de P2P Foundation

 

 

In memoriam: Jean Lievens

Intro Onze Nederlandstalige blog heeft even stilgestaan. Dit is vooral omdat onze voornaamste medewerker hieraan, Jean Lievens, in september overleden is. Wij hebben hem heel veel te danken, dus vooralsnog publiceren we hieronder een in memoriam in het Nederlands. Vanaf volgende week starten we de blog weer op, met als coördinator en redacteur Walter Dresscher…. Continue reading

Intro

Onze Nederlandstalige blog heeft even stilgestaan. Dit is vooral omdat onze voornaamste medewerker hieraan, Jean Lievens, in september overleden is. Wij hebben hem heel veel te danken, dus vooralsnog publiceren we hieronder een in memoriam in het Nederlands.

Vanaf volgende week starten we de blog weer op, met als coördinator en redacteur Walter Dresscher. We zoeken uiteraard nieuwe vrijwilligers om p2p en commons ontwikkelingen te kunnen volgen in de Nederlandstalige streken.

Jean Lievens

Jean Lievens, een dierbare vriend en één van de belangrijkste P2P Foundation-medewerkers in België, is overleden. Maar zijn geestelijke en intellectuele nalatenschap zal onder zijn familie, vrienden en medebouwers van een rechtvaardiger wereld voortleven.

 

Hij stierf op dinsdag, 6 september 2016, en zijn begrafenis vond op vrijdag de 16de plaats in Oostende, België. Jean had al ongeveer een jaar last van gezondheidsklachten, maar was zich tot zijn laatste tien dagen niet bewust van de ernst van zijn toestand.

Ik wil graag wat van mijn herinneringen aan ons gezamenlijke werk met u delen, evenals overpeinzingen over het voortzetten van zijn nalatenschap. Ik schrijf dit in mijn persoonlijke hoedanigheid en als medelid van het P2P Foundation-netwerk.

De herinneringen

Ik leerde Jean in het tweede jaar van onze studie aan de Vrije Universiteit Brussel (V.UB.) kennen, vermoedelijk in 1978. Jean was oorspronkelijk student aan de economische faculteit te Solvay, toen ik Politieke Wetenschappen volgde. We leerden elkaar in de studentenbeweging Aktief Linkse Studenten kennen, waren lid van de jongerenbeweging van de Vlaamse Socialistische Partij en geloofden allebei in Trotsky’s analyse van de permanente revolutie. Ik vertrok al een paar jaar na mijn studietijd, aangezien ik het leven ten tijde van de Thatcher/Reagan-contrarevolutie niet kon rijmen met de immer optimistische voorspellingen van de politieke stroming waartoe wij behoorden. Jean vertrok veel later (ik meen rond zijn vijfendertigste), na voltijds organisator en hoofdredacteur van het radicale tijdschrift Vonk te zijn geweest. Wat aan Jean opviel was zijn loyaliteit naar zijn vrienden toe en zijn betrouwbaarheid als collega en vriend. Jean moest ook de nodige persoonlijke problemen het hoofd bieden. Hij kwam uit de kast als homo en zijn ouders accepteerden hem om die reden niet. Pas tientallen jaren later kwam hun aanvaarding, hij kon het in zijn vaders laatste jaren met hem bijleggen en hij bleef aan diens zij in zijn laatste jaren.

Toen Jean de radicale beweging, waartoe hij vele jaren behoorde en zijn energie aan wijdde, de rug toekeerde, wist hij eerst  niet helemaal wat hij met zijn ‘nieuwe’ leven aan moest. Zonder spaargeld, vanwege een heel laag loon, en zonder de vooruitzichten op een volwaardig pensioen, moest hij zijn leven een andere wending geven. Hij had het geluk een goedkoop appartement in Brussel te vinden, dat hij kocht en tot een pronkstuk van prachtige, zij het excentrieke, smaak omtoverde. Daarnaast ging hij als copywriter voor bedrijfsbladen werken. Met het oog op deze achtergrond waren zijn geschriften altijd uitmuntend en informatief over maatschappelijke trends. We zagen elkaar in het midden van de jaren negentig vluchtig terug, na elkaar vele jaren lang uit het oog te zijn verloren. Deze carrière beviel Jean prima tot 2008, toen de crisis van het kapitalisme, vanwege bezuinigingen bij bedrijven, voor een afname van zijn klantenbestand zorgde. Rond deze tijd besloot Jean in de binnenstad van Brussel te gaan werken, in het departement dat de woningvoorraad beheert. Hoewel hij van de sociale missie hield en zijn collega’s respecteerde, had Jean een grondige hekel aan de bureaucratische procedures, en dit maakte hem een aantal jaren lang neerslachtig.

Toen ontmoetten we elkaar opnieuw en kon ik mijn enthousiasme over mijn eigen werk voor de peer-to-peer- en commonsbeweging in wording met hem delen. Net als Jean had ik het dominante maatschappij-model jarenlang willens-nillens moeten aanvaarden  maar bleef ik met de anti-sociale en anti-ecologische aard van het huidige kapitalisme worstelen. Na het ondergaan van een eigen burnout en hevige crisis in 1996, besloot ik het contact met het maatschappelijke engagement voor sociale veranderingen uit mijn jeugd te hernieuwen. Toen ik onderzocht welke aanpak voor onze tijd geschikt was, besloot ik dat P2P-dynamiek een aanzet tot zelfbestuur en veranderingen zou geven aan sociale bewegingen. Het kostte Jean bijna drie jaar om de informatie te lezen en mijn analyse te begrijpen, maar toen hij zijn eigen studie voltooide, gaf dat hem een nieuwe positieve kijk op het leven. Naast zijn voltijdbaan nam hij in de avonden vol enthousiasme deel aan het P2P-project. Hij legde een enorme energie aan de dag.

Dankzij  hem, als co-auteur, kon ik het Vlaamse boek, De Wereld Redden maken, en de Franse vertaling en tegenhanger ervan, Sauver Le Monde, die allebei een onmiskenbare impact hadden. Sinds ongeveer 2005 verbleef ik gedurende mijn lezingen toernees regelmatig als gast in zijn ongelofelijke appartement aan de Stalingradlaan in Brussel.

We spraken en dachten tot in de kleine uurtjes van de nacht en Jean werd zelf ook een veelgevraagd spreker in Vlaanderen, terwijl hij bovendien verschillende Nederlandstalige artikelen schreef voor de betere opiniebladen zoals De Wereld Morgen.

Het kost me moeite om uit te drukken wat voor een goede vriend hij was, hoe ondersteunend, en hoe verwend ik me met hem voelde. Jean kocht veel van de boeken die ik wilde lezen en was een ware chef van de gezonde keuken. Mijn gezinsleden hadden ook nu en dan gelegenheid om in zijn huis te verblijven. Mijn vrouw werd een groot bewonderaarster van Jean; ze zag hem als een heilige. Jean kwam op zijn beurt bij ons in Thailand logeren en koesterde plannen om er in februari 2017 terug te keren.

Jean begon ongeveer een jaar voor zijn overlijden gezondheidsklachten te krijgen, die zich eerst in de vorm van een knieaandoening manifesteerden, maar later als problemen met de spijsvertering, die voorboden waren van de ziekte die hem zou vellen. Ondanks dat hield hij nog altijd vele lezingen en maakte hij veel plannen. Een daarvan was het oprichten van de P2P Foundation België als afzonderlijke juridische entiteit; een ander was samen met mij een Engels conversatieboek schrijven (de kladversie is af en wacht totdat de laatste hand eraan wordt gelegd). Hij vroeg zich af hoe hij zijn leven als activist opnieuw tot zijn hoofddoel kon maken, maar had daar nog geen bevredigende oplossing voor gevonden. Hij leidde bovendien een gezellig en actief familieleven met zijn ouders, zusters, nichten en bovenal met zijn peetzoon Sam Kestens.

Jean laat een grote leegte achter in onze harten, aangezien onze dierbare herinneringen als compensatie tekortschieten voor de warme steun die hij ons gaf, maar we eren zijn engagement en nalatenschap met veel vuur. Frank Theys en ik leggen de laatste hand aan een financieringsactie voor een documentaire die aan zijn nagedachtenis zal worden gewijd. Bij de recente Prix Ars Electronica-uitreikingsceremonie droeg Stacco Troncoso aan Jean de Gouden Nica-prijs op, die wij als het P2P Foundation-collectief ontvingen. We zullen het Engelstalige boek voltooien waaraan we met hem zijn begonnen, en ik overweeg serieus een nieuw commons-georiënteerd beleidsinstituut naar hem te vernoemen.

Jean heeft ons veel te vroeg en veel te snel verlaten, maar zijn nalatenschap en al wat hij ons gaf zullen nog vele jaren in onze harten en ons eigen handelen voortleven.

Michel Bauwens, namens de P2P Foundation

 

 

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens P2P Foundation Belgium Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst) De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van […]

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens